Emma van Drongelen

Emma van Drongelen (1978) tekent. Ze maakt kleine en heel grote tekeningen.

Ze schrijft over haar werk:
‘In de natuur en het leven zelf is er een continue strijd aan de gang, die wreed is en ook prachtig, tussen planten, dieren, soorten, in een gevecht om het bestaan. Er is sprake van opkomst en neergang, voortplanting, overwoekering. Tegenstellingen als leven en dood, ontstaan en vergaan, eten en gegeten worden zijn aan de orde van de dag en bestaan op hetzelfde moment. Goed, kwaad, schoonheid en venijn, lopen hierin dus continu door elkaar.
Binnen dit grote en complexe systeem van de natuur verhouden alle elementen zich tot elkaar en tot het geheel.

Deze natuur en daarmee ook het leven is in mijn ogen gruwelijk, prachtig, verbazingwekkend en beangstigend tegelijk.
Om hier mijn vinger op te leggen verbeeld ik dit door middel van menselijke, dierlijke en natuurlijke elementen en structuren. Schoonheid en venijn ervan laat ik overlappen in afgebakende tekeningen. Ik kader dit gegeven, en onderzoek het; (…)
Net als in de natuur verhoudt alles in mijn werk zich tot elkaar, van micro- tot macroniveau, van vaste tot vloeibare vorm. Alle elementen in de tekening zijn in hun diepste wezen met elkaar verbonden, vergroeid, verkleefd. Beeldend uit zich dit in de vormentaal en lijnvoering die ik gebruik, in de rangschikking, schaalvergroting/verkleining, in de verbindingen die ik teken.
Terwijl ik teken, probeer ik de natuurlijke rangschikking die in de opbouw van cellen, weefsel en natuur om ons heen verankerd ligt, te ontdekken. Deze rangschikking heeft voor mij alles te maken met een bepaalde woekering van materie , waarin orde en chaos samen opgaan. Cellen in ons lichaam, de natuur om ons heen, de planeten in het universum; alles lijkt te zijn gerangschikt volgens bepaalde patronen die verband hebben met elkaar, en die regelmatig en onregelmatig tegelijk zijn. Tijdens het tekenen probeer ik dit wankele evenwicht tussen orde en chaos te vinden, deze woekering van structuren te laten ontstaan zonder dat het op louter toeval berust. Ik werk dan ook weloverwogen en zeer geconcentreerd, op een niveau waar de ratio het onderbewustzijn raakt, bijna vanuit een soort instinct.
Het tekenen is voor mij leven in zijn zuiverste vorm. (..)’