Via het gastatelier van het Slak belandde Miyuki Okuyama in Arnhem. Ze was benieuwd naar Nederland, dat naar haar indruk een gastvrij land was met uitstekende voorzieningen voor kunstenaars. Ze nam zich voor een goede serie foto’s te maken in dit kleine land, dat zo ver van haar Japan ligt. In de zes maanden die ze in eerste instantie bleef, verwonderde ze zich met haar pinhole camera over onze supergeorganiseerde cultuur. ‘Oude gebouwen die niet meer functioneren worden hier onmiddellijk afgebroken om plaats te maken voor iets nieuws. Dat ben ik in Japan niet gewend, de voorsteden van Tokio bijvoorbeeld zijn een grote rommelige verzameling van aftandse huizen waar dan hele families in wonen.
Naar een thema werken doet ze niet, ze wordt als vanzelf aangetrokken door industiële, afgelegen en duistere plekken. ‘Reconstructing childhood memories’, noemt ze wat ze doet in haar werk. De zelfgebouwde pinhole camera met zijn melancholieke zwarte rand om de dingen versterkt het dreigende gevoel. Wie zit er bijvoorbeeld in die enge schuur? Het is eigenlijk alsof Miyuki een déja- vu moment opnieuw creëert: we kennen de vaak wazige beelden uit dromen, schrokken we niet allemaal al eens wakker van een enge kermis?
Hoezeer het ook vlotte met het fotograferen van duistere Nederlandse hoekjes, de overgestructureerdheid van de Nederlandse cultuur zorgde voor weinig inspiratie. ‘Ik miste de Aziatische mystiek’, bekent ze. Ze begon met het maken van schaalmodellen. Gebouwtjes naar Japanse architectuur, bordjes met Japanse teksten. Een bordje met daarop ‘Motel’, omkranst door hoopgevende lichtjes in de duisternis. Een ‘vuurkijktoren’, naar goed Japans gebruik, om te zien of misschien het huis van de buren in brand staat. Inmiddels zijn de schaalmodellen niet alleen maar meer Aziatisch. Ze heeft een tussenweg gevonden. Een kalme rijstopslag die qua architectuur ook een graanopslag in Amerika kan zijn.
De camera’s die Miyuki gebruikt zijn allesbehalve supertechnisch. Ze werkt naast met zelfgebouwde pinhole- camera’s met speelgoedexemplaren. Ze kan nooit precies zeggen hoe het zal worden, alle afdrukken blijven een gok tot ze zijn uitgeprint. Dat levert wel eens teleurstellingen op; te donker, de compositie niet helemaal goed. Maar juist die verrassing geeft ook wel eens een kadootje. Ze wijst naar een kleine hagedis die wazig in een bad zit. ‘Die had eigenlijk in het midden gemoeten. Maar kijk, nu wordt het bad raadselachtiger, en de planten aan de rand zorgen toch voor een stevige compositie.’
Het zijn soms angstige visioenen die op de kijker toekomen. Miyuki Okuyama doet een dringend, maar onderbewust appèl op onze kinderlijke angsten. Maar in haar omfloerste, dreigende en soms akelig lege wereld schuilt ook een immense, melancholieke en heel menselijke schoonheid.